Waar komen ISDE-subsidies terecht? De regeling, die warmtepompen, isolatie, zonneboilers, warmtenetaansluitingen en (sinds 2026) ventilatie dekt, is het belangrijkste instrument voor verduurzaming van woningen. Tussen 2021 en begin 2026 zijn er 342.000 warmtepompen en 892.000 isolatiemaatregelen via de ISDE gesubsidieerd, verdeeld over 14.032 buurten; samen goed voor 99% van alle aanvragen.

Omdat de ISDE alleen beschikbaar is voor woningeigenaren rekenen we per 1.000 koopwoningen (geschat als woningvoorraad × eigenwoningbezit) in plaats van per 1.000 woningen totaal. We nemen alle buurten mee met minimaal 30 geschatte koopwoningen; dat zijn 11.378 buurten met 99% van alle koopwoningen in Nederland. We delen de buurten op in zes gelijke groepen naar percentage vrijstaande woningen.

Het totaalplaatje

Staafgrafiek: alle ISDE-subsidies per 1.000 koopwoningen, naar percentage vrijstaand. 0%: 146, 2%: 154, 9%: 131, 25%: 126, 51%: 410, 83%: 1.333.

Als we alle ISDE-maatregelen (warmtepompen, isolatie, zonneboilers, warmtenetaansluitingen) optellen is het beeld duidelijk: 1.333 subsidies per 1.000 koopwoningen in buurten met 83% vrijstaand, tegenover 146 per 1.000 in buurten zonder vrijstaande woningen, een factor 9. De meest vrijstaande buurten bevatten 5% van de koopwoningen maar ontvangen 30% van alle subsidies. In de eerste vier groepen (0-25% vrijstaand, 86% van de koopwoningen) is het ISDE-gebruik vrijwel vlak.

Warmtepompen: factor 12

Staafgrafiek: warmtepompen per 1.000 koopwoningen, naar percentage vrijstaand. 0%: 34, 2%: 34, 9%: 35, 25%: 36, 51%: 118, 83%: 409.

Voor warmtepompen is het verschil nog groter: 409 per 1.000 koopwoningen bij 83% vrijstaand, tegenover 34 per 1.000 bij 0% vrijstaand, een factor 12. De groep met de meeste vrijstaande woningen bevat 5% van de koopwoningen maar ontvangt 33% van de warmtepompsubsidies. Opvallend: de middengroep (51% vrijstaand) zit al op 118 per 1.000, drie keer zoveel als de groepen eronder.

Het verband is opvallend genoeg absoluut niet lineair. De eerste vier groepen (0-25% vrijstaand) zitten vlak op 34-36 per 1.000. Bij 51% vrijstaand springt het naar 118, en bij 83% naar 409. Pas als vrijstaande woningen de meerderheid vormen in een buurt slaat het om.

Intuitief gezien zou WOZ-waarde een logische verklaring moeten zijn; duurdere woningen met rijkere eigenaren hebben meer investeringspotentieel. Als we dezelfde buurten opdelen naar WOZ in plaats van woningtype zien we ook een stijging, maar die is minder dramatisch.

Staafgrafiek: warmtepompen per 1.000 koopwoningen, naar WOZ-groep.

Maar kijk ook naar het percentage vrijstaand achter elke WOZ-groep: deze loopt redelijk gelijk op met de WOZ-waarde. De WOZ-groepen zijn in feite dus ook woningtype-groepen. Maar waar WOZ zwak correleert met ISDE-gebruik, is dat voor woningtype veel sterker (0,25 vs 0,46).

Dit zou dus ook betekenen dat goedkope vrijstaande buurten meer gebruik zouden maken van ISDE-subsidies dan dure rijtjesbuurten. En de data laat dit ook zien: in relatief goedkope vrijstaande buurten (gemiddeld €296.000 WOZ) worden 190 warmtepompen per 1.000 koopwoningen geplaatst, terwijl dure rijtjesbuurten (€625.000 WOZ) op 36 per 1.000 blijven steken. Een factor 5.

Isolatie: hetzelfde patroon, en een vervolgvraag

Staafgrafiek: isolatiemaatregelen per 1.000 koopwoningen, naar percentage vrijstaand. 0%: 110, 2%: 118, 9%: 95, 25%: 89, 51%: 286, 83%: 903.

Voor warmtepompen is het woningtypepatroon intuïtief: een vrijstaand huis heeft ruimte voor een buitenunit, een eigen dak, geen gedeelde installaties. Maar isolatie volgt dezelfde verdeling: 903 maatregelen per 1.000 koopwoningen bij 83% vrijstaand, tegenover 110 per 1.000 bij 0% vrijstaand, een factor 8. Buurten met weinig vrijstaande woningen scoren consequent laag.

De voor de hand liggende verklaring is fysiek: een vrijstaand huis heeft vier buitenmuren, een eigen dak en een eigen kruipruimte, dus meer oppervlak om te isoleren. Maar dan rijst de vraag: meten we hier woningtype, of gewoon woninggrootte?

We hebben dat getoetst via de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen), die de gebruiksoppervlakte per woning bevat. De gemiddelde woning in buurten met 83% vrijstaand is 202 m², tegenover 92 m² in buurten met 0% vrijstaand, een factor 2,2. Grootte verklaart dus wellicht een deel maar bij lange na niet alles. Tegelijk correleert woninggrootte bijna even sterk met ISDE-gebruik (0,43) als woningtype zelf (0,45). De twee zijn sterk verweven (onderlinge correlatie 0,82) en met deze data niet van elkaar te scheiden.

Wat we wel kunnen zeggen: binnen de vrijstaande buurten (≥50% vrijstaand) telt WOZ-waarde mee, maar anders per type maatregel. Voor warmtepompen stijgt het van 110 per 1.000 bij €315.000 WOZ naar 286 bij €417.000, maar daarboven vlakt het af (373 bij €808.000). Kennelijk is er een drempel waarboven de WOZ-waarde er niet meer toe doet. Voor isolatie blijft de stijging doorlopen over het hele bereik, van 231 naar 989, een factor 4,3. Dat past bij het oppervlakte-argument: duurdere vrijstaande woningen zijn waarschijnlijk ook groter, en meer oppervlak levert meer isolatiemaatregelen op.

Is dit een appartement-effect?

Appartementen hebben structurele uitdagingen om via de ISDE te verduurzamen. Denk aan VvE-problematiek, en gedeelde daken en gevels. Is het verschil misschien gewoon appartementen vs de rest?

Om dat te toetsen kijken we naar buurten die bijna volledig uit één woningtype bestaan (≥80%). CBS onderscheidt vrijstaande woningen, rijtjeswoningen (hoek + tussen) en meergezinswoningen. In buurten met ≥80% rijtjeshuizen worden 31 warmtepompen per 1.000 koopwoningen geplaatst. In buurten met ≥80% meergezinswoningen 34 per 1.000. Dit is vrijwel identiek.

Maar bij buurten met meer dan 80% vrijstaande woningen? 456 per 1.000.

Rijtjesbuurten scoren even laag als appartementenbuurten. Het verschil zit dus niet tussen appartementen en de rest, maar tussen vrijstaand en alles wat niet vrijstaand is.

Wat het betekent

Nationaal worden er 152 ISDE-subsidies per 1.000 woningen toegekend. De regeling vergoedt een deel van de investering, maar de eigenaar moet het initiatief nemen en voorfinancieren. Dat werkt voor huiseigenaren met vrijstaande woningen, maar niet-vrijstaande koopwoningen (83% van alle koopwoningen) worden nauwelijks bereikt, ongeacht de WOZ-waarde.

De data is te vinden op transitiedata.nl/subsidies, per buurt, met woningtype, WOZ en eigenwoningbezit erbij.